Mogelijke problemen in het Nederlands als gevolg van transferHet Japans verschilt in een aantal opzichten van het Nederlands op zodanige wijze dat er problemen kunnen ontstaan op het gebied van fonologie, morfologie, syntaxis, semantiek en pragmatiek als gevolg van transfer. Als u onderstaande problemen constateert bij een jonge leerder van het Nederlands met het Japans als moedertaal, hoeft dat dus niet per se te wijzen op een taalontwikkelingsstoornis.
Fonologie Uitspraak Nederlandse medeklinkers kunnen tot uitspraakproblemen leiden bij Japanse kinderen. Allereerst kent men de Nederlandse g-klank [x] niet in het Japans, waardoor bijvoorbeeld “galop” een moeilijk woord is. Daarnaast wordt er in het Japans geen onderscheid gemaakt tussen de <r> en de <l> (Nunen, 2010). De Japanse <r> is een klank tussen de rollende <r> en <l> waarbij de <l> overheerst en een beetje lijkt op de <d>. Het verschil tussen de [r] en de [d] is lastig voor Japanse moedertaalsprekers. Er zijn vooral uitspraakproblemen met diftongen. Verder bestaan de [ʒ], [ʃ], [v], [ʋ] wel in het Nederlands, maar niet in het Japans. Het kan zijn dat eenkind langer dan andere tweede-taal-leerders van het Nederlands nodig heeft zich deze klanken eigen te maken.
Tevens zijn de klinkercombinaties van het Nederlands, zoals ei, ij, eu, ou niet bekend in het Japans, waardoor er uitspraakproblemen kunnen ontstaan wat duidt op een transferprobleem. Morfologie Vervoegingen In het Japans zijn er geen vervoegingen voor getal en/of geslacht van het werkwoord, tegenover de drie vormen in het Nederlands (1ste persoons enkelvoud; 2de/3de persoons enkelvoud en meervoud). Hierdoor zou het kunnen dat een Japanse moedertaalspreker moeite heeft met werkwoord vervoeging in het Nederlands en dit niet op de juiste manier doet. Ook zouden kinderen met Japans als T1 moeite kunnen hebben met sterke werkwoorden. Deze zijn er veel in het Nederlands en ze moeten allemaal apart aangeleerd worden. Deze afwijkende vormen zijn echter wel opvallend en dat kan ervoor zorgen dat ze juist wel onthouden.
Lidwoorden
In het Japans bestaan lidwoorden niet, wat kan betekenen dat een kind de Nederlandse lidwoorden de/het/een weglaat.
Naamwoorden Er worden geen meervoudsvormen gebruikt bij zelfstandig naamwoorden. Zij geven de zelfstandig naamwoorden aan door een partikel (onderwerp, bezig, meewerkend voorwerp en lijdend voorwerp). In het Nederlands wordt er onderscheid gemaakt tussen de woorden ‘ik’ en ‘mij’, terwijl in het Japans dat één hetzelfde woord is (‘watashi’). Het verschil tussen ‘ik’ en ‘me/mij’ zal niet gelijk duidelijk zijn voor Japanse kinderen, ditzelfde geldt natuurlijk voor ‘hij’ en ‘hem’, ‘ je’ en ‘jouw’ etc.
Tot slot worden de trappen van vergelijking gevormd door een extra woord toe te voegen
ii = goed * ôkii = groot
moto ii = beter * motto ôkii = groter
mottomo/ ichiban ii = best * mottomo/ ichiban ôkii = grootst
Deze onregelmatige constructie die wij in het Nederlands hanteren, zullen de Japanse kinderen eerst onder de knie moeten krijgen voordat ze deze correct zullen gebruiken.
Syntaxis In het Japans houden ze een SOV-volgorde aan in een zin: onderwerp (subject), voorwerp/ bepaling (object), werkwoord (verb). Dit is anders dan in het Nederlands, waar een SVO-volgorde wordt aangehouden in de hoofdzin en een SOV-volgorde in de bijzinnen. Met deze structuur kunnen Japanse kinderen moeite hebben.
Ook zullen de bijwoordelijke bepalingen moeilijk zijn voor Japanse kinderen. De bijwoordelijke bepalingen kunnen in het Japans op willekeurige plekken tussen het subject en het werkwoord komen te staan. In het Nederlands kun je niet zeggen “ik naar huis loop”: waar de bijwoordelijke bepaling staat, hangt af van de tijd waarin de zin staat.
Bovendien is Japans een agglutinerende taal, wat betekent dat morfemen aan het woord vastgeplakt worden om een ontkenning, bijwoordelijke bepaling of tijd uit te drukken. In het Nederlands worden er geen morfemen aan woorden geplakt, wat Japanse kinderen fout kunnen doen.
Mogelijke vragen aan ouders/tolken met betrekking tot specifieke TOS-elementenEr is helaas maar beperkt onderzoek gedaan naar taalontwikkelingsstoornissen in het Japans. Hierdoor kunnen er bijna geen uitspraken gedaan worden over specifieke TOS-elementen in deze taal. Waar wel naar gevraagd kan worden, is het volgende:- Heeft het kind moeite met de juiste tijdsaanduiding in het Japans?- Heeft het kind moeite met aanwijzend voornaamwoorden in het Japans?- Heeft het kind moeite met de naamvallen in het Japans?
1. Algemene informatie over het Japans
Het Japans (日本語, Nihongo) kent ongeveer 127 miljoen sprekers en wordt gesproken in Japan en door immigranten in onder andere Peru, de Verenigde Staten en Brazilië. Het Japans is deels syllabisch (elke lettergreep heeft een eigen symbool) en bestaat deels uit woordschrift. De ruim 2.000 woordtekens zijn allemaal afkomstig vanuit het Chinees. Een strikt woordschrift is voor het Japans echter niet mogelijk, omdat het Japans een agglutinerende taal is. Dit houdt in dat het Japans vele verbuigingen kent, omdat er reeksen suffixen (achtervoegsels) aan een woord toegevoegd kunnen worden. Naamwoorden worden meestal met een Chinees karakter geschreven en de verbuigingen worden door het syllabeschrift Hiragana of door het syllabeschrift Katakana geschreven. Een voorbeeld is het werkwoord Miru (zien). Mi wordt weergegeven met een Chinees karakter 見 en ru wordt weergeven met een karakter van het Hiragana る: 見る. Het volledige Japanse schrift bestaat uit de volgende schrijfmethoden:
Het klankalfabet Hiragana wordt gebruikt voor grammaticale woorden en partikels (voegwoorden, bijwoorden en voorzetsels).
Het klankalfabet Katakana wordt gebruikt voor niet-Japanse of niet-Chinese woorden. Bijvoorbeeld: pasupôto (paspoort) en takushi (taxi).
Het Kanji bestaat uit ideogrammen of karakters die een begrip voorstellen. De uitgangen van werkwoorden kunnen niet met dit schrift aangegeven worden.
Het Romaji is het Japans in Latijnse letters. Dit is een internationaal afgesproken systeem: het gemodificeerde Hepburnsysteem.
Een zeer opmerkelijk verschil met het Nederlands is, dat het Japanse schrift geen spaties kent. Alle karakters worden achter elkaar geschreven. De zinnen worden wel van elkaar gescheiden door een punt. In gesproken taal zijn er wel individuele 'woorden' te herkennen, maar het begrip ‘woord’/'lexeem' bestaat niet in het Japans. Dit heeft tot gevolg dat een zin geschreven wordt als één woord. Overeenkomst met andere talen Het Japans lijkt alleen op het grammaticaal vlak veel op het Koreaans. Met andere talen zijn er geen duidelijke overeenkomsten op grammaticaal gebied. Er zijn wel structurele gelijkenissen met de Altaïsche talen (o.a. Mongools en het Turks) maar ook zijn er ontleningen te vinden uit de Austronesische talen (o.a. het Maleis en Polynenisch). Door de handelscontacten tussen de Japanners en Nederlanders vanaf 1600 zijn er een aantal Nederlandse woorden in het Japans beland:
torappu = trap
karan = kraan
dansu = dans
gasu = gas
manto = mantel
2. Specifieke informatie over het Japans
Fonologie
De Japanse klanken worden niet geïsoleerd aangeboden. De Japanse schrijfmethoden laten zien dat een klank altijd een combinatie van een medeklinker en een klinker is (voorbeeld. さ : staat voor sa). Dit is een groot verschil met het Nederlands. Hieronder worden eerst de medeklinkers van het Japans en medeklinkers van het Nederlands beschreven om daarna de verschillen tussen beide talen na te kunnen gaan. Na de medeklinkers worden de Japanse en Nederlandse klinkers besproken.
De medeklinkers van het Japans
In onderstaande tabel staan de Japanse medeklinkers. De symbolen die gebruikt zijn, komen van het Internationaal Fonetisch Alfabet.
De tabel wordt hieronder nader besproken aan de hand van Engelse voorbeelden.
Plosieven
De stemhebbende plosieven van het Japans [b, d, g] komen overeen met die van het Engels: garden, bread, door.
In het Engels worden de stemloze plosieven [p, t, k] vooraf gegaan door aspiratie (een kleine ademstoot. De Japanse stemloze plosieven lijken op die van het Engels, alleen worden ze niet vooraf gegaan door de aspiratie.
Nog een verschil met het Engels is, dat de [t] en de [d] in het Japans meer voor in de mond uitgesproken worden dan in het Engels.
Fricatieven
De klanken die niet in het Engels voorkomen zijn [ɸ] (geluid als het uitblazen van een kaars) en [ç] (lijkt op de klank in het Duitse ich.
Affricaten
De [č] en [ǰ] zijn minder rond in het Japans dan in het Engels (church, judge).
Veel Japanners maken geen onderscheid tussen [dz] en [z].
Aproximanten
De Japanse [r] lijkt op de klank in de Amerikaans Engelse woorden tidy en steady.
Engels lerende Japanners kunnen vaak niet een verschil maken tussen de [r] en de [d]. Dit probleem kan zich mogelijkerwijs ook voordoen in het Nederlands.
Bij de Japanse [w] worden de lippen niet bewogen, maar bij de Engelse [w] is dit wel het geval.
Nasalen
[m] = als in mother.
[n] = als in nun.
[ŋ] = als in sing.
De [ň] en [ɲ̟] komen in het Japans aan het einde van een syllabe en daardoor hebben ze een speciale status in de Japanse fonologie, genaamd moraic [n].
Medeklinkers van het Nederlands Hieronder staan de medeklinkers van het Nederlands genoteerd en vervolgens bespreek ik kort de verschillen tussen het Japans en het Nederlands op het gebied van de fonetiek.
Labiaal
Alveolaar
Post-alveolaar
Palataal
Velaar
Glottaal
Plosieven
[+V]
b
d
g
[–V]
p
t
k
Fricatieven
[+V]
v
z
ʒ
ɣ
ɦ
[–V]
f
s
ʃ
x
Affricaten
[+V]
[–V]
Aproximanten:
[+V]
ʋ
l
r
j
Nasalen
[+V]
m
n
ŋ
[ +V] = stemhebbend
[ -V ] = stemloos
Korte toelichting:
[ɣ] : gat
[ʒ] : journaal
[ʃ] : chef
[ʋ] : wie
[ŋ] : bang
Onderstaande Nederlandse medeklinkers kunnen tot uitspraakproblemen leiden bij Japanse kinderen:
Een echte Nederlandse g-klank [x], bv. galop , kent men niet in het Japans.
In het Japans wordt er geen onderscheid gemaakt tussen de < r > en de < l >.(Nunen, 2010). De Japanse < r> is een klank tussen de rollende < r > en < l > waarbij de <l > overheerst en een beetje lijkt op de <d>.
De [ʒ], [ʃ], [v], [ʋ] bestaan in het Nederlands, maar niet in het Japans.
Het Japans kent 5 klinkers:
/a/ : een centraal lage klinker. De klank zit tussen de < a > van father en dad.
/e/ : wordt midden voor uitgesproken. Deze klank klinkt als de [e] in pet.
/i/ : wordt hoog voor uitgesproken. Deze klank klinkt als de [ee] in feet, beat.
/o/ : wordt midden achter uitgesproken. Deze klank klinkt iets hoger als de < ou > in brought.
/u/ : wordt hoog achter uitgesproken. Deze klank [Ɯ ] zit tussen de /oe/ van boek en de /uu/ van vuur.
Het Japans kent een aantal woorden waarin een lange klinker zit. Het gebruik van een korte of lange klinker is betekenisonderscheidend:
Too (tien)
vs.
To (deur)
Suu (inademen)
vs.
Su (azijn)
(Tsujimura, 2007)
Klinkers van het Nederlands Het Nederlands kent net als het Japans vijf klinkers: a, e, i, o, u. De klinkercombinaties van het Nederlands kennen de Japanners echter niet: bijvoorbeeld: ei, ij, eu, ouUitspraakproblemen kunnen dan ontstaan bij Japanse kinderen die het Nederlands leren. Dit duidt dan eerder op een transfer (invloed van de moedertaal) probleem dan een SLI kenmerk. Onderstaande klanken (klinkers en medeklinkers) komen voor in het Japans én in het Nederlands. Mocht een kind uitspraakproblemen ondervinden met deze klanken in het Nederlands, dan betekent dit ook dat het kind deze problemen ondervindt in het Japans. Dit zou op een taalachterstand kunnen duiden.
Japanse uitspraak
a, o
worden kort en open uitgesproken
e
klinkt tussen ‘open e’ en ‘lange e’
i
klinkt als een korte ‘ie’
u
klinkt tussen ‘uu’ en ‘oe’
i en u
zijn soms bijna niet hoorbaar. Vaak worden ze ook niet uitgesproken.
ii, … kk, tt, …
dubbele (mede)klinkers worden als het ware tweemaal na elkaar uitgesproken, vb. ‘na-apen’, kookkunst’
â, ô
klinkers met een kapje hebben dezelfde klank als enkele klinkers, maar worden langer aangehouden
ei
neigt eerder naar ‘lange ee’
ch
klinkt zoals in ‘match’
g
zoals in ‘zakdoek’ en in het Engelse ‘go’; middenin een woord zoals in ‘bang’
h
wordt altijd aangeblazen
hi
klinkt zoals in ‘architect’
j
zoals in ‘journaal’
n
klinkt als woordeinde nasaal zoals in ‘bang’
r
is een klank tussen de rollende < r > en < l > waarbij de < l > overheerst
sh
zoals in ‘short’
tj
(Lutterjohann, 2001)
Morfologie In het Japans schrift worden geen spaties gebruikt. Individuele woorden zijn hierdoor moeilijk te onderscheiden. Hieronder wordt ingegaan op de werkwoorden, zelfstandig naamwoorden en de persoonlijk naamwoorden.
Werkwoorden De tijden en de ontkennende vorm worden door middel van allerlei suffixen aan het werkwoord ‘geplakt’. De Japanse werkwoorden eindigen in de basisvorm altijd op –u. Ze worden ingedeeld in 2 groepen:
De stam eindigt op een medeklinker en de basisvorm op –u: nom-u (drinken) en kik-u (luisteren).
De werkwoordstam eindigt op een i of e en –ru is bij deze werkwoorden de uitgang: taber-ru (eten) en mi-ru (kijken.
De suffixen die aan de basisvorm van de werkwoorden ‘geplakt’ worden zijn:
Masu = tegenwoordige tijd
Masen = ontkennende vorm
Mashita = verleden tijd
Mashô = aan-/bemoediging
De vervoeging van het werkwoord nomu ziet er dan als volgt uit:
Een probleem waar Japanse kinderen tegenaan kunnen lopen, zijn de verschillende vervoegingen van het Nederlands naar persoon: ik drink, jij/hij/zij drinkt, wij/jullie/zij drinken. Het Japans kent namelijk hier maar één vorm voor. De fouten die Japanse kinderen hiermee maken, hoeven niet perse te duiden op SLI. Onregelmatige werkwoorden
In het Japans zijn er slechte 3 onregelmatige werkwoorden:
Komen
doen/maken
zijn
basisvorm
ku-ru
su-ru
da
t.t.,beleefd
ki-masu
shi-masu
desu
ontkennende vorm
ko-nai
shi-nai
de wan ai
gerundium
ki-te
shi-te
de
v.t.
ki-ta
shi-ta
deshi-ta
aan-/bemoediging
ko-yô
shi-yô
-
wil
ki-tai
shi-tai
-
hypothese
ku-reba
su-reba
deshitara
(Lutterjohann, 2001)
Voor de Japanse kinderen zullen de Nederlandse onregelmatige werkwoorden lastig zijn om te leren. Extra aandacht hiervoor vergroot hun bewustzijn op de afwijkende vormen. De Japanse kinderen zullen hier waarschijnlijk veel fouten in gaan maken. De afwijkende vormen zijn echter wel opvallend en dat kan ervoor zorgen dat de Japanse kinderen ze juist wel onthouden. Desalniettemin kent het Nederlands veel meer onregelmatige werkwoorden dan het Japans.
Samengestelde werkwoordenIn het Japans worden zelfstandig naamwoorden en het werkwoord suru (doen/maken) aan elkaar gekoppeld:
Kaimono = boodschappen
Kaimono osuru = boodschappen doen
Aangezien deze constructie ook in het Nederlands voorkomt, kan verwacht worden dat Japanse kinderen hiermee vrijwel geen fouten zullen maken. Meer werkwoordsvormen
In het Japans worden nog meer werkwoordsvormen gebruikt. Ze worden hieronder slechts kort genoemd:
-te : de progressive vorm
-te : kudasai: een vorm van ‘alsjeblieft’
-nasai : gebiedende wijs
-te wa ike-masen : niet toegelaten zijn – niet morgen/kunnen/gaan
-te mo ii : toegelaten zijn – mogen/kunnen/gaan
-te kara : als een handeling afgelopen is
-te …-te : opsomming van verschillende handelingen
-te iku :iets gaan doen:,
-te kita :iets net gedaan hebben,
-te miru : iets trachten te doen
-te shimau : iets helemaal doen
-ta : verleden tijd-vorm
-ta hô ga ii : het is beter / het zou beter zijn
-te mama : een toestand blijft voortduren tijdens een bepaalde handeling (vb. ik doe iets terwijl ik dat aan het doen was)
-ta koto ga ari-masu : het is al gebeurd dat
-tai : drukt een wil uit
-taku nai : ontkennende vorm
-tai no : graag hebben
-rare, -e : iets kunnen doen.
-are, -rare : passieve vorm
-ase, -sase : iemand iets laten doen
-tara, -(r)eba, -to : voorwaardelijke wijs
-keraba, -kattara : bijvoeglijk naamwoorden
-nakereba nari-masen : men/ je moet
-zu ni : zonder + werkwoord
-masen ka : een vraag in de ontkennende vorm
Aangezien het Japans zoveel verschillende werkwoordsvormen kent, zijn de Japanse kinderen hier al aan ‘gewend’. Het Nederlands kent niet zoveel verschillende vormen. Waarschijnlijk zullen de Japanse kinderen hier geen problemen mee hebben. Zelfstandig naamwoorden Een groot verschil met het Nederlands is dat bij de zelfstandig naamwoorden in het Japans geen lidwoorden gebruikt worden, geen geslacht aangeduid wordt en meervoudsvormen ontbreken. De zelfstandig naamwoorden worden in het Japans aangegeven door een partikel:
Wa/ga geeft weer dat het een onderwerp betreft: de mens (hij) = hitowa ga
No geeft bezit weer: van de mens = hitono
Ni geeft weer dat het een meewerkend voorwerp betreft: aan/voor de mens = hitoni
O geeft weer dat het een lijdend voorwerp betreft: de mens (hem) = hitoo
(Lutterjohann, 2001) Zoals hierboven al kort opgemerkt is, wordt het geslacht in het Japans bij zelfstandig naamwoorden niet uitgedrukt als dit uit de context blijkt. Voor mensen kan dit echter wel, indien nodig, aangegeven worden door er vrouwelijk of mannelijk voor het zelfstandig naamwoord te zetten. Bijvoorbeeld: onna voor vrouw en otoko voor man. Een probleem waar Japanse kinderen tegenaan kunnen lopen bij het leren van het Nederlands is dat zij moeite zullen hebben met de Nederlandse lidwoorden de/het/een en de meervoudsvormen van de zelfstandig naamwoorden. Eventuele problemen kunnen in eerste instantie verklaard worden door het feit dat Japanse kinderen deze aspecten van de Nederlandse grammatica zich eerst eigen moeten maken, voordat zij deze correct kunnen gebruiken. Dergelijke fouten hoeven niet per se te duiden op SLI.
Persoonlijk voornaamwoordenHet Nederlands kent de partikels niet zoals die in het Japans gebruikt worden. In het Nederlands wordt er een onderscheid gemaakt tussen de woorden ‘ik’ en ‘mij’. In het Japans wordt daarentegen alleen ‘ik’/’watashi’ gebruikt. Het partikel dat achter ‘watashi’ komt, geeft aan of het een onderwerp, meewerkend voorwerp of lijdend voorwerp is. De Japanse kinderen moeten dit verschil dus duidelijk krijgen. Zij moeten leren dat in het Nederlands het woord ‘me/mij’ gebruikt wordt in plaats van ‘ik’:
Kare000000000000
wa
watashi000000000000
ni
kure-masi
Hij
(onderwerp)
ik
(meewerkend voorwerp)
geven
Hij geeft me.
Zij moeten het Nederlandse systeem van ‘ik’ en ‘jij’ eerst doorkrijgen voordat zij dit correct kunnen gaan toepassen. In vergelijking met het Nederlands is het gebruik van ‘ik’ veel gemakkelijker dan in het Japans. Er is immers maar één vorm om ‘ik’ aan te geven. Een struikelblok voor Japanse kinderen kan wel zijn dat zij het verschil tussen ‘ik’ en ‘me/mij’ niet meteen duidelijk hebben. Fouten die op dit gebied gemaakt worden, hoeven daarom niet perse te duiden op SLI. N.B.: het voorbeeld van ‘ik’ en ‘mij’ geldt ook voor ‘hij/hem’, ‘je/jouw’ en ‘zij/haar’.
Trappen van vergelijking
In het Japans worden de trappen van vergelijking op deze manier gevormd:
ii = goed
moto ii = beter
motttomo / ichiban ii = best
ôkii = groot
motto ôkii = groter
mottomo/ichiban ôkii = grootst
In zinsverband: Tôkyô wa ôsaka yori ôkii desu
Tokyo (onderwerp) Osaka (vergeleken met) groot zijn Tokyo is groter dan Osaka
Kinderen die het Japans als moedertaal hebben, moeten de Nederlandse onregelmatige constructie eerst onder de knie krijgen voordat ze deze correct kunnen gaan gebruiken.
Syntaxis
Zinsbouw In het Nederlands is de hoofdzin als volgt opgebouwd: onderwerp (subject), werkwoord (verb), voorwerp / bepaling (object). Het werkwoord komt dus op de tweede plaats in de zin. In het Japans komt het werkwoord echter op de laatste plaats (sov): SVO volgorde:
Onderwerp
werkwoord
voorwerp/bepaling
Ik
ben
Europeaan
SOV volgorde:
Onderwerp
voorwerp/bepaling
werkwoord
Watashi-wa
oranda-ni
sundeimasu
Ik
in Nederland
wonen
(私はオランダに住んでいます。) 'Ik woon in Nederland.'
Het Nederlands is een SVO taal in de hoofdzinnen en een SOV taal in de bijzinnen. Japanse kinderen kunnen moeite hebben met de Nederlandse structuur, omdat het Japans in de hoofdzinnen een SOV taal is. Daarnaast wordt er in het Japans het hele werkwoord gebruikt in plaats van de vervoegde vorm zoals in het Nederlands. In het Japans kunnen bijwoordelijke bepalingen voorkomen op willekeurige plekken tussen het subject en het werkwoord. In het Nederlands kan dat echter niet. Je kunt niet zeggen *‘Ik naar huis loop’. In de voltooide tijd staat de bijwoordelijke bepaling tussen persoonsvorm en voltooid deelwoord en in onvoltooide tijd staat de bijwoordelijke bepaling achter de persoonsvorm. Bijwoordelijke bepalingen staan in het Nederlands nooit tussen het onderwerp en de persoonsvorm/werkwoord. Door het verschil met het Japans, kunnen Japanse kinderen hier moeilijkheden ondervinden. Zoals al kort vermeld is, is het Japans een agglutinerende taal. Dit betekent dat de morfemen aan een woord ‘vastgeplakt’ worden om ontkenning, bijwoordelijke betekenis of tijd uit te drukken. Bijvoorbeeld:
ama-i = is zoet (een gezegde)
ama-ku = zoet (een bijwoord)
ama-ku-nai = is niet zoet (ontkennende betekenis)
ama-ku-na-katta = was niet zoet (tijd)
Het Nederlands is geen agglutinerende taal. De Japanse kinderen moeten leren dat er in het Nederlands geen morfemen aan een woord ‘geplakt’ worden. Mochten Japanse kinderen hiermee fouten maken, dan komt dat waarschijnlijk door de invloed van de moedertaal. Samengestelde zinnen In het Japans komen ook samengestelde zinnen voor. In deze zinnen staan meerdere persoonsvormen. In het Japans worden voegwoorden (connectieven) gebruikt om zinnen met elkaar te verbinden. In het Japans worden geen aparte betrekkelijke voornaamwoorden gebruikt. Het zelfstandig naamwoord neemt deze rol op zich. Er zijn veel voegwoorden in het Japans die in meerdere contexten gebruikt kunnen worden. Het nevenschikkende voegwoord ‘en’ kan shi, to of de te-vorm van een werkwoord zijn. Een ander voorbeeld is ‘ga’, wat een reden aangeeft. Een voorbeeld van een onderschikkend voegwoord is ‘negara’ (wanneer). Een verschil met het Nederlands is dat sommige van deze voegwoorden in de hoofdzin worden gebruikt in plaats van in de bijzin.
“Akai doresu wa kirei desu ga, takai desu.”
The red dress is pretty, but (it's) expensive.
Pragmatiek
Het Japans kent 3 taalniveaus: laag, gewoon en hoog. Het lage taalniveau wordt gebruikt voor mensen van een lagere rang en het hoger taalniveau wordt gebruikt voor iemand van een hogere rang. Het gewone taalniveau valt daar tussenin. Dit houdt bijvoorbeeld in dat Japanners anders tegen hun werkgever praten dan tegen hun collega’s. De achtervoegsels in het Japans geven aan hoe de spreker tegenover iemand staat: eerbetoon, beleefdheidsvorm en geslacht. Japanse kinderen gebruiken de vorm voor eerbetoon vanaf ongeveer 2 jaar in rollenspellen (bv. dokter-patiënt), de beleefdheidsvorm wordt ongeveer vanaf 3 jaar gebruikt. Nakamura (2002: 26–27) heeft met zijn onderzoek aangetoond dat kinderen van 2,5 jaar de beleefdheidsvorm in gesproken taal al beheersen. Met hetzelfde onderzoek werd aangetoond, dat kinderen vanaf 3 jaar de verschillende achtervoegsels met betrekking tot het geslacht gaan gebruiken. Fukuda en Fukuda (1994) beargumenteren dat de productie van morfemen die een sociale status aanduiden, erg lastig zijn voor SLI-kinderen. Hieronder worden enkele achtervoegsels genoemd die achter iemands naam geplakt kunnen worden:
-kun: wordt gebruikt door jongens
-san: wordt gebruikt door volwassenen
-chan: wordt gebruikt wanneer een volwassene refereert aan een minderjarige.
-sensei: wordt gebruikt om de leraar aan te spreken
-sama: wordt gebruikt voor iemand die je diep respecteert
-shi: wordt gebruikt om een beroemd iemand mee aan te duiden (die je nog nooit ontmoet hebt)
-dono: heel erg beleefd en heel erg nederig
Men gebruikt geen achtervoegsel voor zeer goede vrienden.
Het Nederlands kent geen hoger, gewoon of lager taalniveau. Japanse kinderen hoeven dit dus niet te leren. Daarnaast bestaat het Japanse ‘achtervoegsel-systeem’ niet in het Nederlands. Op dit gebied is het dan ook niet waarschijnlijk dat er fouten gemaakt zullen worden.
3. Verwervingsfases in bovenstaande domeinen in het Japans
Bij gebrek aan informatie over de verwervingsvolgorde van het Japans als moedertaal, wordt er hieronder ingegaan op welke leeftijd normaal ontwikkelende kinderen bepaalde fonemen van elkaar kunnen onderscheiden. Tamashige e.a. (2008) hebben foneemdiscriminatie bij 211 Japanse peuters onderzocht (van 2:6 tot 5:11 jaar). In de test waren 16 minimale paren opgenomen. Dit zijn paren waarvan alleen de beginnende letter van ieder woordpaar verschilde (bijvoorbeeld: /pan/ en /ban/). De Japanse kinderen kregen de fonemen die ze moesten onderscheiden op twee manieren aangeboden: 1) in het hele woord en 2) alleen het foneem zelf. De gebruikte minimale paren staan in onderstaande tabel.
Stemhebbend en stemloos
/pan/ vs. /ban/
/tenki/ vs. /denki/ /karasu/ vs. /garasu/
Plaats van articulatie
/tobu/ vs. / kobu/
Nasaliteit
/macu/ vs. /bacuneru/ vs. /deru/
Wijze van articulatie
/puu/ vs. /huutora/ vs. /sora/
Toevoeging/weglating van consonant
/kame/ vs. /amepan/ vs. /ancume/ vs. /umetoru/ vs, /orukuma/ vs. /uma/
Twee verschillende kenmerken
/nori/ vs. /toricjuu/ vs. /kjuucuri/ vs. /kuri/
(tabel 3.1 uit Tamashige, 2008) De resultaten (zie tabel 3.2) van het onderzoek laten zien dat er in de leeftijdsgroepen van 3 jaar en ouder meer dan 60% van de kinderen (per leeftijdsgroep) het correcte foneem aanwezen wanneer de onderscheidende fonemen in een woord aangeboden werden. Een score van hoger dan 60% betekent dat de leeftijdsgroep de fonemen kan discrimineren. Dit betekent dat de normaal ontwikkelende Japanse kinderen bijna alle medeklinkers van het Japans kunnen onderscheiden vanaf 3 jaar. De medeklinkers die in dit onderzoek niet genoemd zijn, zijn de /z/, /ǰ/, /ts/ en /r/. Kortom, normaal ontwikkelende Japanse kinderen kunnen vanaf 3 jaar de beginletters van tabel 3.1 herkennen en onderscheiden andere fonemen mits ze in woordverband aangeboden worden. Indien Japanse kinderen (ouder dan 3 jaar) met deze fonemen problemen ondervinden in het Nederlands, dan zou dit kunnen duiden op een taalachterstand.
(tabel 3.2 uit Tamashige, 2008)
In tabel 3.3 staan de resultaten van de Japanse kinderen wanneer zij alleen het foneem aangeboden kregen. Vanaf 4 jaar werd de score van 60% gehaald. Dit betekent dat de normaal ontwikkelende Japanse kinderen vanaf 4 jaar de geïsoleerd aangeboden fonemen kunnen herkennen en onderscheiden. Opmerkelijk is dat de Japanse kinderen significant een lagere correct score behaalden op de stemhebbende en stemlozen klanken wanneer zij alleen het foneem aangeboden kregen. De exacte onderzoeksresultaten staan in Tamashige (2008.) Opgemerkt dient te worden dat in dit onderzoek de volgende medeklinkers niet getest zijn: /z/, /ǰ/, /ts/ en /r/. Aangezien de Japanse kinderen (jonger dan 5 jaar) de laagste scores behaalden op de stemhebbende en stemloze fonemen wanneer de klanken geïsoleerd aangeboden werden, kan het zo zijn dat Japanse kinderen die Nederlands leren hier ook moeite mee hebben. Indien dit het geval is, hoeft dit niet perse te duiden op taalachterstand. Normaal ontwikkelende Japanse kinderen die 5 jaar en ouder zijn, horen hier minder moeite mee te hebben. Wanneer Japanse kinderen, die ouder dan 4 zijn, problemen ondervinden met geïsoleerde fonemen, dan zou dit op een taalachterstand kunnen duiden.
Tabel 3.3 (Tamashige, 2008)
4. Onderzoek naar taalstoornissen in het Japans
Vele onderzoeken hebben aangetoond dat Engels sprekende kinderen met SLI veel problemen hebben met de morfologie (regels voor de inflectie). SLI kinderen laten vaak de grammaticale morfemen weg zoals tijd, getal en congruentie. Uit het onderzoek van Fukuda en Fukuda (2001a,b) kwam naar voren dat SLI kinderen de impliciete regels van de morfologie niet goed genoeg eigen kunnen maken. Het onderzoek van Ito, Fukuda en Fukuda (2009) haakt hierop in. Er is namelijk heel weinig onderzoek op dit gebied gedaan voor het Japans (Fukuda en Fukuda 1999, 2001a,b; Fukuda et al. 2007). In het onderzoek van 2009 werd een Japans SLI kind zes jaar lang gevolgd (9 – 14 jaar). De resultaten lieten zien dat gedurende de zes jaar:
het lexicon ingeschakeld werd zodra het kind problemen kreeg met de morfologie;
het gebruik van passieve zinnen en naamvallen niet verbeterde;
de vocabulaire flink gegroeid was;
het correct gebruik van de aanwijzend voornaamwoorden verbeterde.
De conclusie van het onderzoek was dat het SLI-kind op lexicaal niveau vooruit ging, maar dat de grammaticale aspecten achterbleven op normaal ontwikkelende kinderen. Fukuda e.a. beargumenteren dat de verkregen resultaten aansluiten bij de hypothese van Paradis en Gopnik (1997:183): ‘Children with SLI do not seem to even acquire the implicit competence for some parts of grammar (parts of phonology and morphology) and therefore must make use of whatever else is available to them, such as reliance on non-grammatical communicative (pragmatic) cues, and, from school up, metalinguistic knowledge which they learn declaratively, i.e. consciously by focusing attention on the surface facts that they deliberatively memorized and later consciously apply when verbal communication is required.’ Kortom, de lexicale aspecten ontwikkelen razendsnel, maar de grammaticale aspecten blijven achter. De naamvallen en de passieve constructie worden niet verder ontwikkeld in de leeftijd van 9 tot 14 jaar. De meta-linguïstische kennis vult de morfologische kennis aan waar deze tekort schiet. In het artikel van Fukuda en Fukuda (2001a) worden een aantal voorspellingen gedaan van SLI-kenmerken:
Hoogfrequente vormen worden vaker goed gedaan dan laagfrequente vormen;
Complexe morfologische predicaten worden niet consistent goed gedaan. Constructies die in het geheugen opgeslagen zijn, worden vaak goed gedaan;
SLI-kinderen kunnen het passieve morfeem -rare niet gebruiken. Alleen constructies die in het geheugen opgeslagen zijn, kunnen gebruikt worden.
Voorbeelduitingen
Onderstaand enkele voorbeelden van fouten die Japanssprekende kinderen met een TOS maakten. Gemiddelde leeftijd van 9 jaar.
(Tussen haakjes de correcte vorm).
In 1. een tijdsfout: verleden tijd in plaats van tegenwoordige tijd.
In 2. een passief-fout.
In 3. een naamvalsfout: datief in plaats van accusatief.
In 4. een voornaamwoord-fout: dat in plaats van deze.
Bron: Ito, Fukuda, S. en Fukuda, S.E. (2009)
5. Slotopmerkingen en literatuurverwijzingen
Hieronder worden de verschillen tussen het Japans en het Nederlands gegeven. Indien kinderen op dit gebied fouten maken, dan heeft dat waarschijnlijk te maken met de negatieve transfer (de 'negatieve' invloed van het Japans op het Nederlands). Dit houdt in dat de genoemde kenmerken niet direct op SLI hoeven te duiden.
Verschillen tussen het Japans en het Nederlands:
Een echte Nederlandse g-klank [x], bv. galop , kent men niet in het Japans.
In het Japans wordt er geen onderscheid gemaakt tussen de < r > en de < l >.
De [ʒ], [ʃ], [v], [ʋ] bestaan in het Nederlands, maar niet in het Japans.
De klinkercombinaties van het Nederlands kennen de Japanners echter niet: bv. ei, ij, eu, ou
De Japanse kinderen moeten de Nederlandse werkwoordsvervoegingen leren. In het Japans bestaan dergelijke vervoegingen niet, omdat daar één vorm is om de tegenwoordige tijd van bijvoorbeeld 'drinken' weer te geven:nomi-masu = ik drink, jij/hij/zij drinkt, wij/jullie/zij drinken.
Het Nederlands kent veel meer onregelmatige werkwoorden dan het Japans. Extra aandacht is hier nodig. Mochten de Japanse kinderen hier herhaaldelijk fouten mee blijven maken, dan zou dit wel op een taalachterstand kunnen duiden.
In het Japans komen geen lidwoorden voor. Zeer waarschijnlijk zullen de Japanse kinderen hier fouten mee maken.
In het Japans wordt er geen onderscheid gemaakt tussen ik/mij. Japanse kinderen moeten dit onderscheid wel in het Nederlands leren. Zeer waarschijnlijk zullen er vele fouten gemaakt worden.
Het Nederlands is een SVO (hoofdzin) en een SOV (bijzin) taal. Het Japans is daarentegen een SOV taal. Hiermee kunnen Japanse kinderen moeilijkheden mee ondervinden.
Bijwoordelijke bepalingen kunnen in het Japans op willekeurige plekken geplaatst worden. Aangezien dit in het Nederlands niet mogelijk is, zullen Japanse kinderen hiermee waarschijnlijk problemen mee ondervinden.Japanse kinderen moeten leren dat het Nederlands niet zoals het Japans een agglutinerende taal is.
Hieronder worden de kenmerken die zouden kunnen duiden op SLI besproken. Aan de ouders zou gevraagd kunnen worden of hun kinderen afwijkend gedrag vertonen:
Vanaf 2,5 jaar hebben normaal ontwikkelende kinderen zich de beleefdheidsvorm eigen gemaakt. (Vraag: Gebruikt uw kind correct de beleefdheidsvormen in het Japans?)
Vanaf 3 jaar gaan normaal ontwikkelende kinderen de achtervoegsels met betrekking tot het geslacht gebruiken. (Vraag: Gebruikt uw kind correct de achtervoegsels met betrekking tot het geslacht in het Japans?)
Vanaf 3 jaar herkennen de normaal ontwikkelende kinderen alle beginletters van tabel 3.1. (Vraag: Kan uw kind de klanken van de minimale paren onderscheiden?)
Vanaf 4 jaar herkennen de normaal ontwikkelende kinderen geïsoleerd aangeboden klanken van tabel 3.1 (Vraag: Kan uw kind de klanken onderscheiden indien deze geïsoleerd aangeboden worden?)
Vooral op het gebied van de morfologie hebben de SLI-kinderen problemen. (Vraag: Heeft uw kind problemen met de morfologie in het Japans?)
Het gebruik van passieve constructies en naamvallen is zeer lastig voor SLI-kinderen. Er is nauwelijks verbetering te merken. (Vraag: heeft uw kind moeite met de passieve constructies en de naamvallen?)
Literatuurverwijzingen: Boeken:
Tsujimura, N. (2007). An introduction to Japanse Linguistics. Singapore: Blackwell Publishing.
Kuno, S. (1973). The structure of the Japanese Language. Cambridge: the MIT Press
Tsujimura, N. (1999). The Handbook of Japanese Linguistics. Oxford: Blackwell Publishing.
Artikelen:
Fukuda, S.E. en S. Fukuda. 1999. ‘Specific language impairment in Japanese: A linguistic investigation’. NUCB Journal of Language, Culture and Communication 1. 1-25
Fukuda, S.E. en S. Fukuda. 1999. ‘The Operation of Rendaku in the Japanese Specifically Language-Impaired: A Preliminary Investigation’. Folia Phoniatrica et Logopaedica 51. 36-54
Fukuda, S en S. E. Fukuda. 2001a. ‘The acquisition of complex predicates in Japanese specifically language-imapired and normally developing children’. Brain and Language 77. 205-320
Fukuda, S en S.E. Fukuda. 2001b. ‘An asymmetrical impairment in Japanese complex verbs in specific language impairment’. Cognitive Studies 8. 63-84
Fukuda, S., S.E. Fukuda, T. Ito en Y. Yamahuchi. 2007. ‘Grammatical impairment of case assignment in Japanese children with specific langauge impairment (in Japanese)’. The Japan Journal of Logopedics and Phoniatrics 48. 95-104
Ito, T., Fukuda, S., & Fukuda, S. (2009). Differences between grammatical and lexical development in Japanese specific language impairment: A case study. Poznań Studies in Contemporary Linguistics, 45(2), 211-221
Nakamura, K. 2002. Pragmatic development in Japanese monolingual children. Studies in Language Sciences 2, 23-41
Ueno, M., & Garnsey, S. M. (2008). An ERP study of the processing of subject and object relative clauses in Japanese. Language and Cognitive Processes, 23(5), 646-688.
In het Japans komen ook samengestelde zinnen voor. In deze zinnen staan meerdere persoonsvormen. In het Japans worden voegwoorden (connectieven) gebruikt om zinnen met elkaar te verbinden. In het Japans worden geen aparte betrekkelijke voornaamwoorden gebruikt. Het zelfstandig naamwoord neemt deze rol op zich. Er zijn veel voegwoorden in het Japans die in meerdere contexten gebruikt kunnen worden. Het nevenschikkende voegwoord ‘en’ kan shi, to of de te-vorm van een werkwoord zijn. Een ander voorbeeld is ‘ga’, wat een reden aangeeft. Een voorbeeld van een onderschikkend voegwoord is ‘negara’ (wanneer). Een verschil met het Nederlands is dat sommige van deze voegwoorden in de hoofdzin worden gebruikt in plaats van in de bijzin.
“Akai doresu wa kirei desu ga, takai desu.” The red dress is pretty, but (it's) expensive.
Auteurs van deze pagina: Yannah Bruins, Ayelet Karo, Tyche Grijns en Soraya Hoegee
Table of Contents
0. Praktische informatie voor taalonderzoek
Mogelijke problemen in het Nederlands als gevolg van transferHet Japans verschilt in een aantal opzichten van het Nederlands op zodanige wijze dat er problemen kunnen ontstaan op het gebied van fonologie, morfologie, syntaxis, semantiek en pragmatiek als gevolg van transfer. Als u onderstaande problemen constateert bij een jonge leerder van het Nederlands met het Japans als moedertaal, hoeft dat dus niet per se te wijzen op een taalontwikkelingsstoornis.
Fonologie
Uitspraak
Nederlandse medeklinkers kunnen tot uitspraakproblemen leiden bij Japanse kinderen. Allereerst kent men de Nederlandse g-klank [x] niet in het Japans, waardoor bijvoorbeeld “galop” een moeilijk woord is. Daarnaast wordt er in het Japans geen onderscheid gemaakt tussen de <r> en de <l> (Nunen, 2010). De Japanse <r> is een klank tussen de rollende <r> en <l> waarbij de <l> overheerst en een beetje lijkt op de <d>. Het verschil tussen de [r] en de [d] is lastig voor Japanse moedertaalsprekers. Er zijn vooral uitspraakproblemen met diftongen.
Verder bestaan de [ʒ], [ʃ], [v], [ʋ] wel in het Nederlands, maar niet in het Japans. Het kan zijn dat eenkind langer dan andere tweede-taal-leerders van het Nederlands nodig heeft zich deze klanken eigen te maken.
Tevens zijn de klinkercombinaties van het Nederlands, zoals ei, ij, eu, ou niet bekend in het Japans, waardoor er uitspraakproblemen kunnen ontstaan wat duidt op een transferprobleem.
Morfologie
Vervoegingen
In het Japans zijn er geen vervoegingen voor getal en/of geslacht van het werkwoord, tegenover de drie vormen in het Nederlands (1ste persoons enkelvoud; 2de/3de persoons enkelvoud en meervoud). Hierdoor zou het kunnen dat een Japanse moedertaalspreker moeite heeft met werkwoord vervoeging in het Nederlands en dit niet op de juiste manier doet. Ook zouden kinderen met Japans als T1 moeite kunnen hebben met sterke werkwoorden. Deze zijn er veel in het Nederlands en ze moeten allemaal apart aangeleerd worden. Deze afwijkende vormen zijn echter wel opvallend en dat kan ervoor zorgen dat ze juist wel onthouden.
Lidwoorden
In het Japans bestaan lidwoorden niet, wat kan betekenen dat een kind de Nederlandse lidwoorden de/het/een weglaat.
Naamwoorden
Er worden geen meervoudsvormen gebruikt bij zelfstandig naamwoorden. Zij geven de zelfstandig naamwoorden aan door een partikel (onderwerp, bezig, meewerkend voorwerp en lijdend voorwerp). In het Nederlands wordt er onderscheid gemaakt tussen de woorden ‘ik’ en ‘mij’, terwijl in het Japans dat één hetzelfde woord is (‘watashi’). Het verschil tussen ‘ik’ en ‘me/mij’ zal niet gelijk duidelijk zijn voor Japanse kinderen, ditzelfde geldt natuurlijk voor ‘hij’ en ‘hem’, ‘ je’ en ‘jouw’ etc.
Tot slot worden de trappen van vergelijking gevormd door een extra woord toe te voegen
- ii = goed * ôkii = groot
- moto ii = beter * motto ôkii = groter
- mottomo/ ichiban ii = best * mottomo/ ichiban ôkii = grootst
Deze onregelmatige constructie die wij in het Nederlands hanteren, zullen de Japanse kinderen eerst onder de knie moeten krijgen voordat ze deze correct zullen gebruiken.Syntaxis
In het Japans houden ze een SOV-volgorde aan in een zin: onderwerp (subject), voorwerp/ bepaling (object), werkwoord (verb). Dit is anders dan in het Nederlands, waar een SVO-volgorde wordt aangehouden in de hoofdzin en een SOV-volgorde in de bijzinnen. Met deze structuur kunnen Japanse kinderen moeite hebben.
Ook zullen de bijwoordelijke bepalingen moeilijk zijn voor Japanse kinderen. De bijwoordelijke bepalingen kunnen in het Japans op willekeurige plekken tussen het subject en het werkwoord komen te staan. In het Nederlands kun je niet zeggen “ik naar huis loop”: waar de bijwoordelijke bepaling staat, hangt af van de tijd waarin de zin staat.
Bovendien is Japans een agglutinerende taal, wat betekent dat morfemen aan het woord vastgeplakt worden om een ontkenning, bijwoordelijke bepaling of tijd uit te drukken. In het Nederlands worden er geen morfemen aan woorden geplakt, wat Japanse kinderen fout kunnen doen.
Mogelijke vragen aan ouders/tolken met betrekking tot specifieke TOS-elementenEr is helaas maar beperkt onderzoek gedaan naar taalontwikkelingsstoornissen in het Japans. Hierdoor kunnen er bijna geen uitspraken gedaan worden over specifieke TOS-elementen in deze taal. Waar wel naar gevraagd kan worden, is het volgende:- Heeft het kind moeite met de juiste tijdsaanduiding in het Japans?- Heeft het kind moeite met aanwijzend voornaamwoorden in het Japans?- Heeft het kind moeite met de naamvallen in het Japans?
1. Algemene informatie over het Japans
Het Japans (日本語, Nihongo) kent ongeveer 127 miljoen sprekers en wordt gesproken in Japan en door immigranten in onder andere Peru, de Verenigde Staten en Brazilië. Het Japans is deels syllabisch (elke lettergreep heeft een eigen symbool) en bestaat deels uit woordschrift. De ruim 2.000 woordtekens zijn allemaal afkomstig vanuit het Chinees. Een strikt woordschrift is voor het Japans echter niet mogelijk, omdat het Japans een agglutinerende taal is. Dit houdt in dat het Japans vele verbuigingen kent, omdat er reeksen suffixen (achtervoegsels) aan een woord toegevoegd kunnen worden. Naamwoorden worden meestal met een Chinees karakter geschreven en de verbuigingen worden door het syllabeschrift Hiragana of door het syllabeschrift Katakana geschreven. Een voorbeeld is het werkwoord Miru (zien). Mi wordt weergegeven met een Chinees karakter 見 en ru wordt weergeven met een karakter van het Hiragana る: 見る.
Het volledige Japanse schrift bestaat uit de volgende schrijfmethoden:
Een zeer opmerkelijk verschil met het Nederlands is, dat het Japanse schrift geen spaties kent. Alle karakters worden achter elkaar geschreven. De zinnen worden wel van elkaar gescheiden door een punt. In gesproken taal zijn er wel individuele 'woorden' te herkennen, maar het begrip ‘woord’/'lexeem' bestaat niet in het Japans. Dit heeft tot gevolg dat een zin geschreven wordt als één woord.
Overeenkomst met andere talen
Het Japans lijkt alleen op het grammaticaal vlak veel op het Koreaans. Met andere talen zijn er geen duidelijke overeenkomsten op grammaticaal gebied. Er zijn wel structurele gelijkenissen met de Altaïsche talen (o.a. Mongools en het Turks) maar ook zijn er ontleningen te vinden uit de Austronesische talen (o.a. het Maleis en Polynenisch).
Door de handelscontacten tussen de Japanners en Nederlanders vanaf 1600 zijn er een aantal Nederlandse woorden in het Japans beland:
2. Specifieke informatie over het Japans
Fonologie
De Japanse klanken worden niet geïsoleerd aangeboden. De Japanse schrijfmethoden laten zien dat een klank altijd een combinatie van een medeklinker en een klinker is (voorbeeld. さ : staat voor sa). Dit is een groot verschil met het Nederlands. Hieronder worden eerst de medeklinkers van het Japans en medeklinkers van het Nederlands beschreven om daarna de verschillen tussen beide talen na te kunnen gaan. Na de medeklinkers worden de Japanse en Nederlandse klinkers besproken.
De medeklinkers van het Japans
In onderstaande tabel staan de Japanse medeklinkers. De symbolen die gebruikt zijn, komen van het Internationaal Fonetisch Alfabet.
-Liquida
-Half-vocaal
[+V]
[ +V] = stemhebbend
[ -V ] = stemloos
De tabel wordt hieronder nader besproken aan de hand van Engelse voorbeelden.
Plosieven
Fricatieven
Affricaten
Aproximanten
Nasalen
Medeklinkers van het Nederlands Hieronder staan de medeklinkers van het Nederlands genoteerd en vervolgens bespreek ik kort de verschillen tussen het Japans en het Nederlands op het gebied van de fonetiek.
[ -V ] = stemloos
Korte toelichting:
[ɣ] : gat
[ʒ] : journaal
[ʃ] : chef
[ʋ] : wie
[ŋ] : bang
Onderstaande Nederlandse medeklinkers kunnen tot uitspraakproblemen leiden bij Japanse kinderen:
Het Japans kent 5 klinkers:
Het Japans kent een aantal woorden waarin een lange klinker zit. Het gebruik van een korte of lange klinker is betekenisonderscheidend:
Klinkers van het Nederlands
Het Nederlands kent net als het Japans vijf klinkers: a, e, i, o, u.
De klinkercombinaties van het Nederlands kennen de Japanners echter niet: bijvoorbeeld: ei, ij, eu, ouUitspraakproblemen kunnen dan ontstaan bij Japanse kinderen die het Nederlands leren. Dit duidt dan eerder op een transfer (invloed van de moedertaal) probleem dan een SLI kenmerk.
Onderstaande klanken (klinkers en medeklinkers) komen voor in het Japans én in het Nederlands. Mocht een kind uitspraakproblemen ondervinden met deze klanken in het Nederlands, dan betekent dit ook dat het kind deze problemen ondervindt in het Japans. Dit zou op een taalachterstand kunnen duiden.
kk, tt, …
Morfologie
In het Japans schrift worden geen spaties gebruikt. Individuele woorden zijn hierdoor moeilijk te onderscheiden. Hieronder wordt ingegaan op de werkwoorden, zelfstandig naamwoorden en de persoonlijk naamwoorden.
Werkwoorden
De tijden en de ontkennende vorm worden door middel van allerlei suffixen aan het werkwoord ‘geplakt’. De Japanse werkwoorden eindigen in de basisvorm altijd op –u. Ze worden ingedeeld in 2 groepen:
De suffixen die aan de basisvorm van de werkwoorden ‘geplakt’ worden zijn:
De vervoeging van het werkwoord nomu ziet er dan als volgt uit:
Een probleem waar Japanse kinderen tegenaan kunnen lopen, zijn de verschillende vervoegingen van het Nederlands naar persoon: ik drink, jij/hij/zij drinkt, wij/jullie/zij drinken. Het Japans kent namelijk hier maar één vorm voor. De fouten die Japanse kinderen hiermee maken, hoeven niet perse te duiden op SLI.
Onregelmatige werkwoorden
In het Japans zijn er slechte 3 onregelmatige werkwoorden:
Voor de Japanse kinderen zullen de Nederlandse onregelmatige werkwoorden lastig zijn om te leren. Extra aandacht hiervoor vergroot hun bewustzijn op de afwijkende vormen. De Japanse kinderen zullen hier waarschijnlijk veel fouten in gaan maken. De afwijkende vormen zijn echter wel opvallend en dat kan ervoor zorgen dat de Japanse kinderen ze juist wel onthouden. Desalniettemin kent het Nederlands veel meer onregelmatige werkwoorden dan het Japans.
Samengestelde werkwoordenIn het Japans worden zelfstandig naamwoorden en het werkwoord suru (doen/maken) aan elkaar gekoppeld:
- Kaimono = boodschappen
- Kaimono o suru = boodschappen doen
Aangezien deze constructie ook in het Nederlands voorkomt, kan verwacht worden dat Japanse kinderen hiermee vrijwel geen fouten zullen maken.Meer werkwoordsvormen
In het Japans worden nog meer werkwoordsvormen gebruikt. Ze worden hieronder slechts kort genoemd:
Aangezien het Japans zoveel verschillende werkwoordsvormen kent, zijn de Japanse kinderen hier al aan ‘gewend’. Het Nederlands kent niet zoveel verschillende vormen. Waarschijnlijk zullen de Japanse kinderen hier geen problemen mee hebben.
Zelfstandig naamwoorden
Een groot verschil met het Nederlands is dat bij de zelfstandig naamwoorden in het Japans geen lidwoorden gebruikt worden, geen geslacht aangeduid wordt en meervoudsvormen ontbreken. De zelfstandig naamwoorden worden in het Japans aangegeven door een partikel:
- Wa/ga geeft weer dat het een onderwerp betreft: de mens (hij) = hito wa ga
- No geeft bezit weer: van de mens = hito no
- Ni geeft weer dat het een meewerkend voorwerp betreft: aan/voor de mens = hito ni
- O geeft weer dat het een lijdend voorwerp betreft: de mens (hem) = hito o
(Lutterjohann, 2001)Zoals hierboven al kort opgemerkt is, wordt het geslacht in het Japans bij zelfstandig naamwoorden niet uitgedrukt als dit uit de context blijkt. Voor mensen kan dit echter wel, indien nodig, aangegeven worden door er vrouwelijk of mannelijk voor het zelfstandig naamwoord te zetten. Bijvoorbeeld: onna voor vrouw en otoko voor man.
Een probleem waar Japanse kinderen tegenaan kunnen lopen bij het leren van het Nederlands is dat zij moeite zullen hebben met de Nederlandse lidwoorden de/het/een en de meervoudsvormen van de zelfstandig naamwoorden. Eventuele problemen kunnen in eerste instantie verklaard worden door het feit dat Japanse kinderen deze aspecten van de Nederlandse grammatica zich eerst eigen moeten maken, voordat zij deze correct kunnen gebruiken. Dergelijke fouten hoeven niet per se te duiden op SLI.
Persoonlijk voornaamwoordenHet Nederlands kent de partikels niet zoals die in het Japans gebruikt worden. In het Nederlands wordt er een onderscheid gemaakt tussen de woorden ‘ik’ en ‘mij’. In het Japans wordt daarentegen alleen ‘ik’/’watashi’ gebruikt. Het partikel dat achter ‘watashi’ komt, geeft aan of het een onderwerp, meewerkend voorwerp of lijdend voorwerp is.
De Japanse kinderen moeten dit verschil dus duidelijk krijgen. Zij moeten leren dat in het Nederlands het woord ‘me/mij’ gebruikt wordt in plaats van ‘ik’:
Zij moeten het Nederlandse systeem van ‘ik’ en ‘jij’ eerst doorkrijgen voordat zij dit correct kunnen gaan toepassen. In vergelijking met het Nederlands is het gebruik van ‘ik’ veel gemakkelijker dan in het Japans. Er is immers maar één vorm om ‘ik’ aan te geven. Een struikelblok voor Japanse kinderen kan wel zijn dat zij het verschil tussen ‘ik’ en ‘me/mij’ niet meteen duidelijk hebben. Fouten die op dit gebied gemaakt worden, hoeven daarom niet perse te duiden op SLI.
N.B.: het voorbeeld van ‘ik’ en ‘mij’ geldt ook voor ‘hij/hem’, ‘je/jouw’ en ‘zij/haar’.
Trappen van vergelijking
In het Japans worden de trappen van vergelijking op deze manier gevormd:
In zinsverband:
Tôkyô wa ôsaka yori ôkii desu
Tokyo (onderwerp) Osaka (vergeleken met) groot zijn
Tokyo is groter dan Osaka
Kinderen die het Japans als moedertaal hebben, moeten de Nederlandse onregelmatige constructie eerst onder de knie krijgen voordat ze deze correct kunnen gaan gebruiken.
SyntaxisZinsbouw
In het Nederlands is de hoofdzin als volgt opgebouwd: onderwerp (subject), werkwoord (verb), voorwerp / bepaling (object). Het werkwoord komt dus op de tweede plaats in de zin. In het Japans komt het werkwoord echter op de laatste plaats (sov):
SVO volgorde:
SOV volgorde:
'Ik woon in Nederland.'
Het Nederlands is een SVO taal in de hoofdzinnen en een SOV taal in de bijzinnen. Japanse kinderen kunnen moeite hebben met de Nederlandse structuur, omdat het Japans in de hoofdzinnen een SOV taal is. Daarnaast wordt er in het Japans het hele werkwoord gebruikt in plaats van de vervoegde vorm zoals in het Nederlands.
In het Japans kunnen bijwoordelijke bepalingen voorkomen op willekeurige plekken tussen het subject en het werkwoord. In het Nederlands kan dat echter niet. Je kunt niet zeggen *‘Ik naar huis loop’. In de voltooide tijd staat de bijwoordelijke bepaling tussen persoonsvorm en voltooid deelwoord en in onvoltooide tijd staat de bijwoordelijke bepaling achter de persoonsvorm. Bijwoordelijke bepalingen staan in het Nederlands nooit tussen het onderwerp en de persoonsvorm/werkwoord. Door het verschil met het Japans, kunnen Japanse kinderen hier moeilijkheden ondervinden.
Zoals al kort vermeld is, is het Japans een agglutinerende taal. Dit betekent dat de morfemen aan een woord ‘vastgeplakt’ worden om ontkenning, bijwoordelijke betekenis of tijd uit te drukken. Bijvoorbeeld:
Het Nederlands is geen agglutinerende taal. De Japanse kinderen moeten leren dat er in het Nederlands geen morfemen aan een woord ‘geplakt’ worden. Mochten Japanse kinderen hiermee fouten maken, dan komt dat waarschijnlijk door de invloed van de moedertaal.
Samengestelde zinnen
In het Japans komen ook samengestelde zinnen voor. In deze zinnen staan meerdere persoonsvormen. In het Japans worden voegwoorden (connectieven) gebruikt om zinnen met elkaar te verbinden. In het Japans worden geen aparte betrekkelijke voornaamwoorden gebruikt. Het zelfstandig naamwoord neemt deze rol op zich. Er zijn veel voegwoorden in het Japans die in meerdere contexten gebruikt kunnen worden. Het nevenschikkende voegwoord ‘en’ kan shi, to of de te-vorm van een werkwoord zijn. Een ander voorbeeld is ‘ga’, wat een reden aangeeft. Een voorbeeld van een onderschikkend voegwoord is ‘negara’ (wanneer). Een verschil met het Nederlands is dat sommige van deze voegwoorden in de hoofdzin worden gebruikt in plaats van in de bijzin.
“Akai doresu wa kirei desu ga, takai desu.”
The red dress is pretty, but (it's) expensive.
Pragmatiek
Het Japans kent 3 taalniveaus: laag, gewoon en hoog. Het lage taalniveau wordt gebruikt voor mensen van een lagere rang en het hoger taalniveau wordt gebruikt voor iemand van een hogere rang. Het gewone taalniveau valt daar tussenin. Dit houdt bijvoorbeeld in dat Japanners anders tegen hun werkgever praten dan tegen hun collega’s. De achtervoegsels in het Japans geven aan hoe de spreker tegenover iemand staat: eerbetoon, beleefdheidsvorm en geslacht.
Japanse kinderen gebruiken de vorm voor eerbetoon vanaf ongeveer 2 jaar in rollenspellen (bv. dokter-patiënt), de beleefdheidsvorm wordt ongeveer vanaf 3 jaar gebruikt. Nakamura (2002: 26–27) heeft met zijn onderzoek aangetoond dat kinderen van 2,5 jaar de beleefdheidsvorm in gesproken taal al beheersen. Met hetzelfde onderzoek werd aangetoond, dat kinderen vanaf 3 jaar de verschillende achtervoegsels met betrekking tot het geslacht gaan gebruiken. Fukuda en Fukuda (1994) beargumenteren dat de productie van morfemen die een sociale status aanduiden, erg lastig zijn voor SLI-kinderen.
Hieronder worden enkele achtervoegsels genoemd die achter iemands naam geplakt kunnen worden:
Men gebruikt geen achtervoegsel voor zeer goede vrienden.
Het Nederlands kent geen hoger, gewoon of lager taalniveau. Japanse kinderen hoeven dit dus niet te leren. Daarnaast bestaat het Japanse ‘achtervoegsel-systeem’ niet in het Nederlands. Op dit gebied is het dan ook niet waarschijnlijk dat er fouten gemaakt zullen worden.
3. Verwervingsfases in bovenstaande domeinen in het Japans
Bij gebrek aan informatie over de verwervingsvolgorde van het Japans als moedertaal, wordt er hieronder ingegaan op welke leeftijd normaal ontwikkelende kinderen bepaalde fonemen van elkaar kunnen onderscheiden.
Tamashige e.a. (2008) hebben foneemdiscriminatie bij 211 Japanse peuters onderzocht (van 2:6 tot 5:11 jaar). In de test waren 16 minimale paren opgenomen. Dit zijn paren waarvan alleen de beginnende letter van ieder woordpaar verschilde (bijvoorbeeld: /pan/ en /ban/).
De Japanse kinderen kregen de fonemen die ze moesten onderscheiden op twee manieren aangeboden: 1) in het hele woord en 2) alleen het foneem zelf. De gebruikte minimale paren staan in onderstaande tabel.
/tenki/ vs. /denki/
/karasu/ vs. /garasu/
De resultaten (zie tabel 3.2) van het onderzoek laten zien dat er in de leeftijdsgroepen van 3 jaar en ouder meer dan 60% van de kinderen (per leeftijdsgroep) het correcte foneem aanwezen wanneer de onderscheidende fonemen in een woord aangeboden werden. Een score van hoger dan 60% betekent dat de leeftijdsgroep de fonemen kan discrimineren. Dit betekent dat de normaal ontwikkelende Japanse kinderen bijna alle medeklinkers van het Japans kunnen onderscheiden vanaf 3 jaar. De medeklinkers die in dit onderzoek niet genoemd zijn, zijn de /z/, /ǰ/, /ts/ en /r/.
Kortom, normaal ontwikkelende Japanse kinderen kunnen vanaf 3 jaar de beginletters van tabel 3.1 herkennen en onderscheiden andere fonemen mits ze in woordverband aangeboden worden. Indien Japanse kinderen (ouder dan 3 jaar) met deze fonemen problemen ondervinden in het Nederlands, dan zou dit kunnen duiden op een taalachterstand.
(tabel 3.2 uit Tamashige, 2008)
In tabel 3.3 staan de resultaten van de Japanse kinderen wanneer zij alleen het foneem aangeboden kregen. Vanaf 4 jaar werd de score van 60% gehaald. Dit betekent dat de normaal ontwikkelende Japanse kinderen vanaf 4 jaar de geïsoleerd aangeboden fonemen kunnen herkennen en onderscheiden. Opmerkelijk is dat de Japanse kinderen significant een lagere correct score behaalden op de stemhebbende en stemlozen klanken wanneer zij alleen het foneem aangeboden kregen. De exacte onderzoeksresultaten staan in Tamashige (2008.) Opgemerkt dient te worden dat in dit onderzoek de volgende medeklinkers niet getest zijn: /z/, /ǰ/, /ts/ en /r/.
Aangezien de Japanse kinderen (jonger dan 5 jaar) de laagste scores behaalden op de stemhebbende en stemloze fonemen wanneer de klanken geïsoleerd aangeboden werden, kan het zo zijn dat Japanse kinderen die Nederlands leren hier ook moeite mee hebben. Indien dit het geval is, hoeft dit niet perse te duiden op taalachterstand. Normaal ontwikkelende Japanse kinderen die 5 jaar en ouder zijn, horen hier minder moeite mee te hebben. Wanneer Japanse kinderen, die ouder dan 4 zijn, problemen ondervinden met geïsoleerde fonemen, dan zou dit op een taalachterstand kunnen duiden.
Tabel 3.3 (Tamashige, 2008)
4. Onderzoek naar taalstoornissen in het Japans
Vele onderzoeken hebben aangetoond dat Engels sprekende kinderen met SLI veel problemen hebben met de morfologie (regels voor de inflectie). SLI kinderen laten vaak de grammaticale morfemen weg zoals tijd, getal en congruentie. Uit het onderzoek van Fukuda en Fukuda (2001a,b) kwam naar voren dat SLI kinderen de impliciete regels van de morfologie niet goed genoeg eigen kunnen maken.
Het onderzoek van Ito, Fukuda en Fukuda (2009) haakt hierop in. Er is namelijk heel weinig onderzoek op dit gebied gedaan voor het Japans (Fukuda en Fukuda 1999, 2001a,b; Fukuda et al. 2007). In het onderzoek van 2009 werd een Japans SLI kind zes jaar lang gevolgd (9 – 14 jaar). De resultaten lieten zien dat gedurende de zes jaar:
De conclusie van het onderzoek was dat het SLI-kind op lexicaal niveau vooruit ging, maar dat de grammaticale aspecten achterbleven op normaal ontwikkelende kinderen. Fukuda e.a. beargumenteren dat de verkregen resultaten aansluiten bij de hypothese van Paradis en Gopnik (1997:183):
‘Children with SLI do not seem to even acquire the implicit competence for some parts of grammar (parts of phonology and morphology) and therefore must make use of whatever else is available to them, such as reliance on non-grammatical communicative (pragmatic) cues, and, from school up, metalinguistic knowledge which they learn declaratively, i.e. consciously by focusing attention on the surface facts that they deliberatively memorized and later consciously apply when verbal communication is required.’
Kortom, de lexicale aspecten ontwikkelen razendsnel, maar de grammaticale aspecten blijven achter. De naamvallen en de passieve constructie worden niet verder ontwikkeld in de leeftijd van 9 tot 14 jaar. De meta-linguïstische kennis vult de morfologische kennis aan waar deze tekort schiet.
In het artikel van Fukuda en Fukuda (2001a) worden een aantal voorspellingen gedaan van SLI-kenmerken:
Voorbeelduitingen
Onderstaand enkele voorbeelden van fouten die Japanssprekende kinderen met een TOS maakten. Gemiddelde leeftijd van 9 jaar.
(Tussen haakjes de correcte vorm).
In 1. een tijdsfout: verleden tijd in plaats van tegenwoordige tijd.
In 2. een passief-fout.
In 3. een naamvalsfout: datief in plaats van accusatief.
In 4. een voornaamwoord-fout: dat in plaats van deze.
Bron: Ito, Fukuda, S. en Fukuda, S.E. (2009)
5. Slotopmerkingen en literatuurverwijzingen
Hieronder worden de verschillen tussen het Japans en het Nederlands gegeven. Indien kinderen op dit gebied fouten maken, dan heeft dat waarschijnlijk te maken met de negatieve transfer (de 'negatieve' invloed van het Japans op het Nederlands). Dit houdt in dat de genoemde kenmerken niet direct op SLI hoeven te duiden.
Verschillen tussen het Japans en het Nederlands:
Hieronder worden de kenmerken die zouden kunnen duiden op SLI besproken. Aan de ouders zou gevraagd kunnen worden of hun kinderen afwijkend gedrag vertonen:
Literatuurverwijzingen:
Boeken:
Artikelen:
Internetsite:
In het Japans komen ook samengestelde zinnen voor. In deze zinnen staan meerdere persoonsvormen. In het Japans worden voegwoorden (connectieven) gebruikt om zinnen met elkaar te verbinden. In het Japans worden geen aparte betrekkelijke voornaamwoorden gebruikt. Het zelfstandig naamwoord neemt deze rol op zich. Er zijn veel voegwoorden in het Japans die in meerdere contexten gebruikt kunnen worden. Het nevenschikkende voegwoord ‘en’ kan shi, to of de te-vorm van een werkwoord zijn. Een ander voorbeeld is ‘ga’, wat een reden aangeeft. Een voorbeeld van een onderschikkend voegwoord is ‘negara’ (wanneer). Een verschil met het Nederlands is dat sommige van deze voegwoorden in de hoofdzin worden gebruikt in plaats van in de bijzin.
“Akai doresu wa kirei desu ga, takai desu.”
The red dress is pretty, but (it's) expensive.